Uitspraak
Rechtbank ROtterdam
1..Procesverloop
Rotterdam van 13 oktober 2020, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde werd bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk werd vrijgelaten met een proeftijd van 365 dagen. Het openbaar ministerie verzocht om verlenging van deze proeftijd met 180 dagen om lopende interventies op het gebied van financiën, huisvesting en ambulante behandeling af te ronden.
Tijdens de terechtzitting op 18 augustus 2023 werden zowel de officier van justitie, de veroordeelde met zijn raadsman als de reclasseringsdeskundige gehoord. De reclassering gaf aan dat de ambulante behandeling bijna afgerond was en dat het herhalingsrisico laag was, mede doordat risicofactoren zoals drugsgebruik en psychosociaal functioneren waren afgenomen.
De rechtbank overwoog dat verlenging van de proeftijd alleen gerechtvaardigd is als dit noodzakelijk en proportioneel is met het oog op het recidiverisico. Gezien het lage risico en het feit dat de veroordeelde een strafrestant van bijna een jaar heeft, achtte de rechtbank verlenging een te zwaar middel. De vordering werd daarom afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens onvoldoende noodzaak en disproportionaliteit.