ECLI:NL:RBROT:2023:8762
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Eiser ontving sinds 16 juli 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau dat eiser op 31 december 2020 een bedrag van € 21.218,- op zijn bankrekening had, startte verweerder een onderzoek. Eiser weigerde bankafschriften te overleggen, waarna de bijstandsuitkering werd opgeschort en uiteindelijk ingetrokken.
Eiser stelde dat hij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat het niet inleveren van bankafschriften geen schending oplevert. Ook voerde hij aan dat hij medewerking had verleend en dat zijn vermogensgegevens onrechtmatig waren verkregen. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst op grond van de Participatiewet bevoegd was om deze gegevens te verstrekken zonder toestemming van eiser.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij over meer vermogen beschikte dan de vermogensvrijlating. Het niet inleveren van bankafschriften was niet de schending zelf, maar het nalaten van melding van het vermogen wel. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand indien hij de plicht wel was nagekomen.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de bijstand vanaf 31 december 2020 terecht was en dat de terugvordering van € 18.681,19 rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard, zonder toekenning van griffierecht of proceskostenvergoeding aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht.