De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, [kind01], [kind02] en [kind03], die respectievelijk verblijven in een gezinshuis en een pleeggezin. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar worden verdacht van mishandeling en bedreiging van de kinderen, hetgeen onderwerp is van een nog lopend strafonderzoek.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West en de Raad voor de Kinderbescherming hebben afzonderlijke verzoeken ingediend tot verlenging van de uithuisplaatsing. De moeder en vader hebben zich laten bijstaan door advocaten en hebben hun standpunten naar voren gebracht, waarbij de moeder pleitte voor uitbreiding van omgangsregelingen en een tussentijds toetsmoment, terwijl de vader de wens uitsprak dat de kinderen met de moeder herenigd worden.
De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, gezien de ernstige onveiligheid waaraan zij zijn blootgesteld. Er wordt benadrukt dat ongeacht de uitkomst van de strafzaak, terugkeer naar de moeder mogelijk blijft, afhankelijk van haar opvoedvaardigheden en de veiligheid van de thuissituatie. Het verzoek van de Raad wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, nu het verzoek van de gecertificeerde instelling is toegewezen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing is mondeling gegeven op 31 augustus 2023 door kinderrechter T. van den Akker, met griffier V. Versteeg aanwezig. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.