ECLI:NL:RBROT:2023:8811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
C/10/658823 / JE RK 23-1284
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing kind

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] tot 21 december 2023. De Raad handhaafde een verkort verzoek tot handhaving van de machtiging voor een maand, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) zich tegen verlenging uitsprak vanwege zorgen over veiligheid thuis.

Tijdens de zitting, waarbij het kind apart werd gehoord, werden verschillende standpunten besproken. De Raad stelde dat het verblijf op de groep de ontwikkeling van het kind stagneert en dat het kind binnen een maand weer thuis moet wonen met ondersteuning. De GI maakte zich zorgen over mogelijke huiselijk geweld in de thuissituatie en pleitte voor voortzetting van de uithuisplaatsing.

De vader en stiefmoeder benadrukten hun inzet voor hulpverlening en het belang van thuiskomst voor het kind, mede vanwege het schoolbegin. De kinderrechter concludeerde dat het kind ondanks eerdere problemen stappen heeft gezet en meer rust ervaart. De vermoedens van huiselijk geweld waren onvoldoende onderbouwd. De kinderrechter achtte het van belang dat passende hulp in de thuissituatie wordt ingezet, inclusief systemische hulp en betrokkenheid van de moeder.

De kinderrechter wees het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af en bepaalde dat het kind thuis moet worden geplaatst met een warme overdracht en passende hulpverlening. De beslissing werd op 17 augustus 2023 mondeling uitgesproken en op 29 augustus 2023 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen en het kind wordt teruggeplaatst bij vader en stiefmoeder met passende hulp.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/658823 / JE RK 23-1284
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[kind01], geboren op [geboortedatum01] 2008 in [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen [kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam02],
hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 juni 2023, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het e-mailbericht van de GI van 14 augustus 2023;
  • de aanvullende briefrapportage van de Raad van 14 augustus 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2023. Daarbij waren aanwezig:
- [kind01] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam03] , de stiefmoeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam04] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna: de GI, [naam05] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleiders van [kind01] , [naam06] en [naam07] .

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind01] .
2.2.
[kind01] verblijft bij [instelling01] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 juni 2023 [kind01] onder toezicht gesteld tot 21 juni 2024.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 21 juni 2023 een machtiging verleend [kind01] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 augustus 2023.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [kind01] verzocht voor de duur van een jaar. Tevens heeft de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van zes maanden. Thans moet worden beslist op het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 21 december 2023.
3.2.
Bij briefrapportage van 14 augustus 2023, heeft de Raad kenbaar gemaakt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] voor de duur van een maand te handhaven en verzoekt het overige af te wijzen.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het gewijzigde verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad heeft de politiemeldingen en het huiselijk geweld na aanleiding van de vorige zitting onderzocht. Hier is niets nieuws uitgekomen. Het gaat op bepaalde gebieden beter met [kind01] , tegelijkertijd staat zij nu stil in haar ontwikkeling. Dit doet veel met [kind01] op sociaal emotioneel gebied. Binnen de huidige situatie, op de plek waar zij verblijft, stagneert de ontwikkeling van [kind01] . De Raad is van mening dat de huidige situatie [kind01] geen goed doet. Daarom geeft de Raad aan dat [kind01] binnen een maand weer bij de vader en de stiefmoeder moet gaan wonen. Er is MDFT in de gezinssituatie nodig om zicht te houden en wellicht om het gezin handvatten te geven anders met bepaalde omstandigheden om te gaan. Deze hulp is reeds aangevraagd. De wachttijd is acht weken. In de tussentijd dient er een alternatief te worden gezocht. De vader is via de huisarts hulp aan het regelen voor [kind01] . Desgevraagd geeft de Raad aan dat als [kind01] zonder hulp thuis wordt geplaatst het risico er is dat het gezin in oude patronen vervalt. Wellicht moet er op korte termijn een coach of buddy voor [kind01] worden geregeld.
4.2.
De GI kan zich ter zitting niet aansluiten bij het verzoek van de Raad. De GI maakt zich zorgen om de veiligheid in de thuissituatie. De GI acht het in het belang van [kind01] om op de groep te verblijven, omdat er dan de mogelijkheid is van het uitbreiden van onbelast contact met de moeder. Bij de vader thuis is er grote kans dat [kind01] getuige wordt van huiselijk geweld. Op de groep is er tevens de mogelijkheid tot behandeling.
4.3.
Namens en door de vader is ter zitting het volgende standpunt naar voren gebracht. Uit het raadsrapport volgt dat er geen sprake is van huiselijk geweld. Er zijn wat incidenten geweest, maar dat is vaker te zien bij gezinnen waarbij er een situatie van stress is. De vader en de stiefmoeder hebben het heft in eigen handen genomen door hulp te zoeken voor [kind01] . De ouders hebben er alles voor gedaan om te zorgen dat er gelijk een psychiater betrokken raakt. De school begint volgende week. Als [kind01] in Amsterdam zit, is het moeilijk om in te stromen. Het is van belang dat zij weer thuis is, zodat zij bij de start van school aanwezig kan zijn. De vader heeft aangegeven dat hij openstaat voor hulp. Hij wil deelnemen aan de gesprekken met de psychiater. De vader geeft desgevraagd aan dat hij [kind01] nooit bij haar moeder heeft weggehouden.
De stiefmoeder heeft benoemd dat zij met de huisarts heeft gesproken. Er zal een psychiater betrokken raken bij [kind01] . De stiefmoeder vindt school belangrijk. [kind01] heeft al anderhalf jaar geen school gehad.
4.4.
De begeleider van [kind01] , mw. [naam06] heeft ter zitting gesteld dat zij vanuit [instelling01] hulp kunnen aanbieden om een warme overdacht naar de thuissituatie mogelijk te maken. Dit moet geregeld worden samen met de GI.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het niet goed gaat met [kind01] op de groep waar zij verblijft. [kind01] trekt zich regelmatig terug en geeft aan dat zij naar huis wil. Het is zorgelijk dat [kind01] de afgelopen periode geen hulp heeft ontvangen en dat zij het gevoel heeft stil te staan in haar ontwikkeling. [kind01] lijkt echter, ondanks het ontbreken van de juiste hulpverlening, stappen te hebben gezet in de goede richting. [kind01] ervaart meer rust. Het is van belang dat [kind01] dit vasthoudt. Een langer verblijf op de groep, waarbij er geen zicht is op hulp, acht de kinderrechter niet wenselijk. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat [kind01] thuis moet worden geplaatst. De zorgen over [kind01] in de thuissituatie bij de vader en de stiefmoeder waren groot en het is derhalve van belang dat er zo snel mogelijk passende hulp in de thuissituatie wordt ingezet om een terugval te voorkomen. De vermoedens vanuit de GI over het al dan niet plaatsvinden van huiselijk geweld, acht de kinderrechter onvoldoende onderbouwd. Uit het nadere raadsonderzoek is hierover niets nieuws en niets concreet naar voren gekomen. Het is van belang dat er in de thuissituatie (systemische) hulp wordt ingezet voor [kind01] , de vader en de stiefmoeder, waarbij ook de moeder wordt betrokken. MDFT is aangevraagd en zal binnen acht werken van start gaan. De vader en stiefmoeder hebben via de huisarts geregeld dat er een psychiater beschikbaar is om [kind01] hulp te bieden. Het is positief dat deze hulp direct beschikbaar kan zijn. Daarnaast begint de school van [kind01] volgende week en is het in haar belang dat zij hier vanaf het begin kan instromen. De begeleider van [kind01] van [instelling01] heeft aangegeven een warme overdracht mogelijk te kunnen maken vanuit de groep naar huis. Het is van belang dat de GI dit samen met [instelling01] oppakt. De kinderrechter acht het bovendien van belang dat de GI aandacht besteedt aan contactherstel tussen [kind01] en de moeder. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2023 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 29 augustus 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.