De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] tot 21 december 2023. De Raad handhaafde een verkort verzoek tot handhaving van de machtiging voor een maand, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) zich tegen verlenging uitsprak vanwege zorgen over veiligheid thuis.
Tijdens de zitting, waarbij het kind apart werd gehoord, werden verschillende standpunten besproken. De Raad stelde dat het verblijf op de groep de ontwikkeling van het kind stagneert en dat het kind binnen een maand weer thuis moet wonen met ondersteuning. De GI maakte zich zorgen over mogelijke huiselijk geweld in de thuissituatie en pleitte voor voortzetting van de uithuisplaatsing.
De vader en stiefmoeder benadrukten hun inzet voor hulpverlening en het belang van thuiskomst voor het kind, mede vanwege het schoolbegin. De kinderrechter concludeerde dat het kind ondanks eerdere problemen stappen heeft gezet en meer rust ervaart. De vermoedens van huiselijk geweld waren onvoldoende onderbouwd. De kinderrechter achtte het van belang dat passende hulp in de thuissituatie wordt ingezet, inclusief systemische hulp en betrokkenheid van de moeder.
De kinderrechter wees het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af en bepaalde dat het kind thuis moet worden geplaatst met een warme overdracht en passende hulpverlening. De beslissing werd op 17 augustus 2023 mondeling uitgesproken en op 29 augustus 2023 schriftelijk vastgesteld.