Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke procedure over een geschil met de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling.
Het wrakingsverzoek was gebaseerd op de wijze waarop de rechter ter zitting de zaak behandelde, met name de afwijzing van een laat ingediende aanvullende beroepsgrond en de wijze van communicatie, waaronder stemverheffing en het slaan op de tafel. Verzoeker stelde dat dit leidde tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter bevoegd was de regie te voeren en beslissingen te nemen over de toelating van stukken, en dat het kantelen van een beslissing tijdens de zitting geen aanwijzing voor partijdigheid vormt. Ook werd geoordeeld dat rechterlijke oordelen over het belang van het beroep en de behandeling van gronden niet onbegrijpelijk waren en geen aanwijzing voor vooringenomenheid bevatten.
Klachten over de bejegening zijn niet geschikt voor wraking en het proces-verbaal is een zakelijke weergave zonder aanwijzing van kwade opzet. Het verzoek werd daarom afgewezen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2023 door een meervoudige wrakingskamer.