Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:8849

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 september 2023
Publicatiedatum
21 september 2023
Zaaknummer
10203399 CV EXPL 22-35419
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 1:12 lid 1 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing exclusief gebruik woning aan contractuele huurder met eenhoofdig gezag over minderjarige

Partijen huren sinds juni 2020 gezamenlijk een woning in Rotterdam en zijn ouders van een minderjarige. Na het beëindigen van hun affectieve relatie in 2022 ontstond een geschil over wie de huur van de woning mag voortzetten.

De eiseres vordert dat de gedaagde de huur niet voortzet en de woning ontruimt, stellende dat zij het eenhoofdig gezag over de minderjarige heeft en financieel in staat is de huur te betalen. De gedaagde verzet zich hiertegen en vordert in reconventie het exclusieve gebruik van de woning, stellende dat hij voornamelijk voor de minderjarige zorgt en investeringen in de woning heeft gedaan.

De kantonrechter overweegt dat de belangenafweging moet uitgaan van het belang van de minderjarige, die de woonplaats van de ouder met het eenhoofdig gezag volgt. Het belang van de eiseres weegt zwaarder vanwege het gezag en de stabiele woonomgeving nabij de gastouder. De stellingen over onveilige situaties door de nieuwe partner van de eiseres worden niet bewezen geacht. De financiële positie van de eiseres is voldoende aangetoond, terwijl de gedaagde geen financiële gegevens heeft overgelegd.

De kantonrechter wijst de vordering van de eiseres toe en de vordering van de gedaagde af. De gedaagde wordt veroordeeld de woning uiterlijk 30 september 2023 te verlaten. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder met eenhoofdig gezag over de minderjarige mag de huur voortzetten en de andere huurder moet de woning uiterlijk 30 september 2023 verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10203399 CV EXPL 22-35419
datum uitspraak: 8 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J. van Dijk,
tegen
[persoon02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. M.B. Chylinska.
De partijen worden hierna ‘ [persoon01] ’ en ‘ [persoon02] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 november 2022, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie, met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 maart 2023;
  • de brief van de gemachtigde van [persoon01] van 24 april 2023.
1.2.
Op 13 maart 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [persoon01] met mr. J van Dijk en K. Kruk (tolk),
  • [persoon02] met mr. M.B. Chylinska en W. Veldhuis-Cosic (tolk).

2.De feiten

2.1.
Partijen huren sinds 15 juni 2020 de woning aan de [adres01] in Rotterdam (hierna: de woning).
2.2.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2020 in [geboorteplaats01] .
2.3.
De affectieve relatie tussen partijen is medio 2022 beëindigd.

3.Het geschil

3.1.
[persoon01] eist samengevat:
  • te bepalen dat [persoon02] de huur van de woning met ingang van 1 oktober 2022 danwel een door de rechter te bepalen datum niet langer zal voortzetten;
  • de huurovereenkomst tussen verhuurder en [persoon02] partieel te ontbinden;
  • [persoon02] te veroordelen binnen twee weken na het vonnis de woning te ontruimen op straffe van een dwangsom;
  • [persoon02] te veroordelen in de proceskosten met rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[persoon01] baseert de eis op het volgende. Zij kan in redelijkheid op voortzetting van de huur van de woning het meeste aanspraak maken. De belangenafweging moet in haar voordeel uitvallen. [persoon01] oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [voornaam minderjarige01] . Zij heeft geen familie of vrienden waar zij met [voornaam minderjarige01] (tijdelijk) kan verblijven. [persoon01] is financieel in staat de huur van de woning te blijven betalen.
3.3.
[persoon02] is het niet eens met de eis. Zijn belang is groter om in de woning te verblijven. Hij heeft altijd de huur van de woning voldaan en veel in de woning geïnvesteerd. Op het moment dat hij de woning moet verlaten belandt hij op straat. Hij is degene die voornamelijk voor [voornaam minderjarige01] zorgt. Daarnaast maakt hij zich zorgen over de veiligheid van [voornaam minderjarige01] wanneer [persoon01] in de woning verblijft en haar nieuwe partner bij haar intrekt. De nieuwe partner heeft een paar keer voor onveilige situaties gezorgd. In reconventie vordert [persoon02] dat het gebruik van de woning aan hem wordt toegewezen en [persoon01] de woning ontruimt op straffe van een dwangsom.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
Partijen zijn beiden contractuele huurders van de woning en zij vorderen beiden het exclusief gebruik van de woning. De relatie tussen partijen is geëindigd en zij zijn het er over eens dat hun samenleving niet langer houdbaar is wegens oplopende spanningen en dat één van hen de woning zal moeten verlaten.
juridisch kader
4.3.
De Hoge Raad heeft bepaald dat samenhuurders (contractuele medehuurders) overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW Pro kunnen vorderen dat één van hen de huurovereenkomst zelfstandig voortzet. Bij de vraag welke partij de woning moet ontruimen en verlaten, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
belangenafweging
4.4.
Hoewel voor beide partijen geldt dat het moeilijk zal zijn andere passende woonruimte te vinden, moet naar het oordeel van de kantonrechter het belang van [persoon01] zwaarder wegen dan van [persoon02] . Doorslaggevend hierbij is het feit dat [persoon01] het eenhoofdig gezag heeft over [voornaam minderjarige01] , die op grond van artikel 1:12 lid 1 BW Pro de woonplaats van [persoon01] volgt en met haar mee zou moeten verhuizen. [persoon01] heeft onbetwist gesteld dat de woning zich in een rustige, veilige en familiaire buurt bevindt. Het adres van de gastouder waar [voornaam minderjarige01] dagelijks naar toe gaat is op 5 minuten loopafstand. Het is van groot belang voor [voornaam minderjarige01] dat hij niet onnodig wordt belast met een verhuizing uit een vertrouwde omgeving. Een eventuele intrek van [persoon01] bij haar nieuwe partner acht de kantonrechter niet in het belang van [voornaam minderjarige01] . De stelling van [persoon02] dat [persoon01] geen zorg zou dragen voor [voornaam minderjarige01] is door [persoon02] betwist en blijkt verder nergens uit. Evenmin is gebleken dat de nieuwe partner van [persoon01] voor onveilige situaties zorgt. De kantonrechter kan daarmee dan ook geen rekening houden.
4.5.
[persoon02] stelt dat hij de huur altijd heeft betaald en veel heeft geïnvesteerd in de woning. Dit is door [persoon01] aan de hand van bankafschriften gemotiveerd betwist. Bovendien betekent dit niet dat het belang van [persoon02] bij behoud van de woning zwaarder zou moeten wegen dan het belang van [persoon01] .
4.6.
[persoon01] heeft gesteld dat zij de huur kan blijven betalen. De financiële positie van partijen is van belang omdat degene die de huur voortzet verondersteld moet worden zelfstandig de huurprijs te kunnen betalen. Zij heeft aan de hand van ingebrachte loonstroken aangetoond dat zij ongeveer € 2.000,- netto per maand verdient. Daarmee wordt zij geacht de huur van de woning te kunnen voldoen. [persoon02] is als zelfstandige werkzaam. Van hem zijn bij de kantonrechter geen financiële gegevens bekend. Hij heeft zich na de mondelinge behandeling mogen uitlaten over zijn financiële positie, maar heeft geen stukken in het geding gebracht.
conclusie
4.7.
Het bovenstaande betekent dat de vordering van [persoon01] zal worden toegewezen (zoals hierna bepaald) en de vordering van [persoon02] afgewezen. De kantonrechter zal [persoon02] enige tijd gunnen om de woning te verlaten en bepalen dat [persoon02] met ingang van 1 oktober 2023 het huurrecht van de woning niet langer zal voortzetten.
geen partiële ontbinding
4.8.
De verhuurder is geen partij in deze procedure. Partiële ontbinding van de huurovereenkomst is daarom niet mogelijk. De daarop gerichte vordering zal om die reden worden afgewezen. Dit vonnis heeft wel werking tegenover de verhuurder (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1964).
ontruiming
4.9.
[persoon02] zal worden veroordeeld om de woning uiterlijk op 30 september 2023 te verlaten. De door [persoon01] gevorderde dwangsom zal daarentegen worden afgewezen. Dit vonnis vormt een zogenoemde executoriale titel op basis waarvan [persoon01] , als dat al nodig zijn, met hulp van een deurwaarder ontruimingsmaatregelen kan nemen.
proceskosten
4.10.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen partijen zowel in conventie als in reconventie worden gecompenseerd. Dit betekent dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.11.
Dit vonnis wordt zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat [persoon01] van het vonnis nakoming kan verlangen, ook wanneer daartegen hoger beroep wordt ingesteld (hoger beroep schort de uitvoerbaarheid niet op).

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat [persoon02] de huur van de woning aan de [adres01] in Rotterdam met ingang van 1 oktober niet langer zal voortzetten;
5.2.
veroordeelt [persoon02] om uiterlijk op 30 september 2023 de woning aan de [adres01] in Rotterdam te ontruimen met de personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [persoon01] te stellen;
5.3.
wijst al het andere af.
in reconventie
5.4.
wijst de vordering af;
in conventie en reconventie
5.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
47636