ECLI:NL:RBROT:2023:8932

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 september 2023
Publicatiedatum
25 september 2023
Zaaknummer
10516008 CV EXPL 23-14340
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:30 BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering huurbetaling garagebox wegens bevrijdende betaling door derde

Eiser heeft een garagebox verhuurd aan een huurder onder bewind. De huur werd maandelijks van de rekening van de huurder afgeschreven totdat deze bankrekening werd beëindigd. Een vriend van de huurder heeft vervolgens de huur voor meerdere maanden voorgeschoten en betaald aan eiser.

Eiser vordert betaling van de huur van oktober 2020 en februari tot en met november 2022 van de bewindvoerder, met rente en kosten. De bewindvoerder betwist de vordering omdat de huur volgens haar reeds is voldaan door de derde betaler en dat het niet relevant is wie de betaling heeft gedaan.

De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerder bevrijd is van haar betalingsverplichting omdat de huur door een ander is voldaan, conform artikel 6:30 BW Pro. De betaling door de derde was niet onverschuldigd en het feit dat eiser de bedragen later aan die derde heeft terugbetaald, kan hij niet tegen de bewindvoerder inbrengen. De vordering wordt daarom afgewezen, evenals de rente en incassokosten. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van huur door de bewindvoerder wordt afgewezen omdat een derde de huur reeds heeft voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10516008 CV EXPL 23-14340
datum uitspraak: 15 september 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
Zwanenburg & De Heer B.V., in de hoedanigheid van bewindvoerder van [naam01],
vestigingsplaats: Moerkapelle (gemeente Zuidplas),
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [naam02] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 8 mei 2023, met bijlagen;
  • het antwoord.
1.2.
Op 31 augustus 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Aanwezig waren [naam03] namens [eiser01] en [naam02] namens de bewindvoerder. Ter zitting heeft de bewindvoerder een A4 met foto’s overgelegd.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
[eiser01] heeft de garagebox aan de [adres01] in [naam04] verhuurd. De huurovereenkomst staat op naam van [naam01] . De huur werd maandelijks afgeschreven van de bankrekening van [naam01] , totdat die bankrekening in februari 2022 werd beëindigd door zijn bewindvoerder. Een vriend van [naam01] , [naam03] , heeft toen de huur voor februari t/m november 2022 maandelijks betaald aan [eiser01] . [naam03] zegt dat hij de huur heeft voorgeschoten in de veronderstelling dat de bewindvoerder hem zou terugbetalen. De bewindvoerder heeft dat geweigerd. [naam03] heeft eerder ook de huur voor oktober 2020 betaald. Hij heeft in december 2022 alle door hem betaalde bedragen als onverschuldigd teruggevraagd aan [eiser01] en die heeft de bedragen aan hem terugbetaald.
Wat is de eis?
2.2.
[eiser01] eist dat de bewindvoerder de huur voor oktober 2020 en februari t/m november 2022 aan hem betaalt, met rente en kosten. Het gaat om € 2.245,00 aan huur.
Wat vindt de gedaagde van de eis?
2.3.
De bewindvoerder is het niet eens met de eis, omdat de huur volgens haar is betaald en het niet relevant is wie dat heeft gedaan. De betalingen zijn ook geaccepteerd door [eiser01] . Er bestaat daarom geen huurachterstand en ook geen vordering op de bewindvoerder van [naam01] . Dat [eiser01] op enig moment eenzijdig ervoor heeft gekozen om een bedrag aan [naam03] te betalen doet daar niets aan af, vindt de bewindvoerder.
Wat is het oordeel van de kantonrechter?
2.4.
De kantonrechter wijst de eis tot betaling van € 2.245,00 af, omdat [eiser01] niets te vorderen heeft van de bewindvoerder van [naam01] . De bewindvoerder is bevrijd van de verplichting om de huur voor oktober 2020 en februari t/m november 2022 te betalen aan [eiser01] , omdat [naam03] die verplichting al is nagekomen. Dat volgens de verhuurder [naam01] huurder is en niet [naam03] , maakt dat niet anders. Op basis van de wet kan namelijk een ander dan de schuldenaar een verbintenis nakomen (artikel 6:30 BW Pro). [naam03] heeft de bedragen daarom niet onverschuldigd betaald aan [eiser01] . Dat [eiser01] de bedragen in december 2022 toch aan [naam03] heeft terugbetaald komt voor zijn rekening en risico. Hij kan dat niet aan de bewindvoerder tegenwerpen.
2.5.
De andere punten die partijen hebben opgeworpen maken het oordeel niet anders, omdat die punten niet relevant zijn voor het beoordelen van de eis.
2.6.
De rente en de incassokosten worden ook afgewezen, omdat die onderdelen van de eis alleen toewijsbaar zijn als de geëiste € 2.245,00 was toegewezen.
2.7.
[eiser01] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt de proceskosten aan de kant van de bewindvoerder tot vandaag ambtshalve vast op € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten, die aan de kant van de bewindvoerder tot vandaag worden vastgesteld op € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
34286