ECLI:NL:RBROT:2023:8978

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
ROT 22/6132 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar studiefinanciering

Opposant stelde verzet in tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin zijn beroep tegen een beslissing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ongegrond werd verklaard wegens te laat ingediend bezwaar. Opposant voerde aan dat het overlijden van zijn vriend en een benarde privésituatie met zijn ouders hem verhinderden tijdig bezwaar te maken.

De rechtbank heeft beoordeeld of de eerdere uitspraak terecht zonder zitting is gedaan en of er twijfel bestaat over de juistheid daarvan. De wettelijke termijn van zes weken voor bezwaar is van openbare orde en wordt strikt nageleefd. Opposant maakte bezwaar ruim na deze termijn, namelijk drie tot tweeënhalve maand te laat.

De omstandigheden van opposant, hoewel moeilijk, vormen geen geldige reden voor een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 Awb Pro. De verantwoordelijkheid voor tijdigheid ligt bij de burger en persoonlijke omstandigheden komen voor zijn risico. Daarom is het verzet ongegrond verklaard en blijft de eerdere uitspraak in stand.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/6132 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2023 op het verzet van

[naam opposant], te [plaatsnaam], opposant

(gemachtigde: mr. T. Erdal).

Inleiding

Opposant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, waarin zijn beroep ongegrond is verklaard tegen een beslissing op bezwaar van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Minister) van 9 november 2022.
De rechtbank heeft het verzet op 20 september 2023 op zitting behandeld. Opposant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens de Minister is met een bericht van verhindering niemand verschenen.

De uitspraak van 20 april 2023

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard, omdat opposant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 1 maart 2022, en voor deze termijnoverschrijding geen geldige reden heeft gegeven.

Het verzet van opposant

2. Opposant voert in verzet aan dat zijn vriend ten tijde van het primaire besluit is overleden, en daarnaast verwikkeld is geraakt in een benarde privésituatie met zijn ouders. Daardoor kon opposant zijn inkomende poststukken niet tijdig controleren. Opposant was niet in staat om zelf bezwaar te maken of zich te wenden tot een professioneel rechtshulpverlener. Opposant betoogt verder [1] dat uit wetenschappelijk onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid blijkt dat mensen als gevolg van keuzedruk, stress, verdriet of ouderdom niet altijd even alert en goed georganiseerd zijn, en dat de overheid rekening moet houden met de grenzen van het denk- en doenvermogen van mensen. In de zaak van opposant is verder alleen sprake van een financieel belang van opposant en staan geen belangen van derden op het spel.

Beoordeling door de verzetrechter

3. In deze procedure moet de verzetrechter de vraag beantwoorden of het beroep van opposant bij de uitspraak van 20 april 2023 terecht zonder zitting is afgedaan. Dit betekent dat de beoordeling van de verzetrechter beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de buiten-zittinguitspraak. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de buiten-zittinguitspraak te vervallen. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. De verzetrechter overweegt dat geen twijfel is ontstaan over de buiten-zittinguitspraak. De wettelijke termijn van zes weken is van openbare orde, en wordt strikt nageleefd. Het is niet in geschil dat opposant te laat bezwaar heeft gemaakt. Een te laat ingediend bezwaarschrift kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen inhoudelijk worden behandeld, indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie komt naar voren dat de wetgever de uitzondering niet ruim heeft bedoeld, en er veel belang aan heeft gehecht dat zo weinig mogelijk onzekerheid is over de formele rechtskracht van besluiten. Voor de wetgever is tevens uitgangspunt geweest dat de verantwoordelijkheid voor de tijdigheid bij de burger ligt, dat het aan de burger is om te stellen en te bewijzen dat zich omstandigheden voordoen die tot verschoonbaarheid kunnen leiden en dat omstandigheden in de persoonlijke sfeer voor risico van de burger komen.
Op 1 maart 2022 is aan opposant het primaire besluit verstuurd waarin studiefinanciering deels is teruggevorderd. Met een besluit van 30 maart 2022 is aan opposant een bestuurlijke boete opgelegd. Dat betekent dat de bezwaartermijn afliep op 13 april 2022 (tegen het primaire besluit) respectievelijk 12 mei 2022 (het tweede besluit). Opposant heeft bezwaar gemaakt op 16 juni 2022. De verzetrechter begrijpt dat de situatie rondom het overlijden van zijn vriend, in combinatie met een benarde privésituatie moeilijk zijn, maar deze omstandigheden vormen in dit geval geen geldige reden voor een termijnoverschrijding van drie en halve maand bij het besluit van 1 maart 2022 en twee en halve maand bij het besluit van 30 maart 2022.

Conclusie en gevolgen

5. Er is geen twijfel ontstaan over de buiten-zittinguitspraak. Het verzet is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Opposant verwijst hierbij ook naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:2220.