In deze civiele procedure vordert de vereniging [naam vereniging 1] betaling van lidmaatschapsgeld over 2022 van twee hengelsportverenigingen, die hun lidmaatschap voorwaardelijk zouden hebben opgezegd. De hengelsportverenigingen roepen in een incident de landelijke koepelorganisatie [naam vereniging 4] en haar voormalige directeur in vrijwaring op, stellende dat zij door afspraken met deze koepelorganisatie zijn misleid en dat deze de betalingsverplichting aan [naam vereniging 1] zou moeten dragen.
De rechtbank beoordeelt dat de vordering tot oproeping in vrijwaring toewijsbaar is omdat de hengelsportverenigingen aannemelijk maken dat er een rechtsverhouding bestaat waarbij de koepelorganisatie en haar voormalig directeur mogelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak. De rechtbank compenseert de proceskosten van het incident, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
De zaak wordt geschorst tot 8 november 2023, wanneer de hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe termijn voor conclusie van antwoord. Het vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en op 27 september 2023 in het openbaar uitgesproken.