De zaak betreft een geschil tussen eiser, eigenaar van een woning, en gedaagde, zijn voormalige schoondochter, over huurprijs, betalingsachterstand en ontruiming van de woning. De bodemrechter heeft reeds vastgesteld dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen, maar de hoogte van de huurprijs was nog onduidelijk.
Eiser vordert ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van €4.000, incassokosten en een voorschot op huur vanaf oktober 2023. Gedaagde betwist de hoogte van de huurprijs en stelt dat zij onrechtmatig is ingeschreven in het BRP en dat zij recht heeft op een aparte energiemeter en schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat gedaagde op basis van de echtscheidingsbeschikking huurder is en dat eiser gebonden is aan deze uitspraak. De huurprijs wordt voorlopig vastgesteld op €1.000 per maand. De ontruimingsvordering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De huurachterstand, incassokosten en voorschot huur worden toegewezen. De vorderingen tot uitschrijving uit het BRP en schadevergoeding worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Wel wordt eiser veroordeeld tot plaatsing van een tussenmeter voor energiegebruik binnen drie werkdagen, met een dwangsom bij niet-naleving.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.