Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 september 2023, met 3 producties;
- de conclusie van antwoord, met 4 producties;
- de productie 4 van de vrouw;
- de mondelinge behandeling op 14 september 2023.
Rechtbank Rotterdam
Partijen hadden een affectieve relatie van 2021 tot maart 2023 waaruit een minderjarige zoon is geboren. Sinds 15 juni 2022 huren zij gezamenlijk een woning van Stichting Havensteder. Na het beëindigen van hun relatie ontstond een geschil over het gebruik van de woning en de hoofdverblijfplaats van hun zoon.
De vrouw vorderde in kort geding een verbod voor de man om de woning te betreden zonder haar toestemming en zijn uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP), met dwangsommen bij overtreding. Zij stelde dat er sprake was van huiselijk geweld en ernstige spanningen, ondersteund door meldingen bij politie en Veilig Thuis en schriftelijke verklaringen van vriendinnen.
De man betwistte het huiselijk geweld en stelde dat hij elders geen woonruimte heeft, dat het contact met zijn zoon en een andere zoon uit een eerdere relatie in gevaar komt en dat hij zijn baan en opleiding zou verliezen bij vertrek. De voorzieningenrechter vond de stellingen van de vrouw onvoldoende onderbouwd en achtte de spanningen niet zodanig dat de man de woning moest verlaten. Gezien zijn medehuurderschap en bijdrage aan de huur woog zijn belang zwaarder.
De vorderingen werden daarom afgewezen. Partijen werd aangeraden een bodemprocedure te starten om het huurrecht definitief te regelen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vorderingen tot verbod betreden woning en uitschrijving uit BRP worden afgewezen.