Eiser was bestuurder en werknemer van meerdere vennootschappen en kondigde aan per 1 september 2023 te stoppen met zijn werkzaamheden en zich als bestuurder te laten uitschrijven. Op 30 juni 2023 werd hij op staande voet ontslagen, waarna gedaagden hem uit het handelsregister schreven en zichzelf inschreven als bestuurders.
Eiser vorderde in kort geding dat deze handelsregisterwijzigingen ongedaan worden gemaakt, betaling van achterstallig loon over juli en augustus 2023, vakantiedagen en vakantiegeld, en vergoeding van advocatenkosten. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende belang had bij herstel handelsregister omdat hij zelf had aangekondigd per 1 september te vertrekken en het ontslag onherroepelijk was geworden doordat hij het niet binnen de wettelijke termijn had aangevochten.
De loonvorderingen werden afgewezen omdat het ontslag rechtsgeldig en onherroepelijk was. De vordering tot betaling van vakantiedagen en vakantiegeld werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie. Ook de vordering tot vergoeding van volledige proceskosten werd afgewezen wegens ontbreken van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door gedaagden.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagden. Het vonnis werd gewezen door mr. P. de Bruin en mr. Th. Veling op 25 september 2023 en is uitvoerbaar bij voorraad.