5.2De vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken zoals type, ligging en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Alle vergelijkingsobjecten zijn, net als de onroerende zaak, appartementen in een portiek/galerijflat. Drie van de vier vergelijkingsobjecten hebben uitzicht op het water net als de onroerende zaak. De bouwjaren van twee vergelijkingsobjecten liggen een stuk lager dan dat van de onroerende zaak, maar uit de toelichting van verweerder blijkt dat er weinig verkooptransacties beschikbaar zijn van appartementen rondom bouwjaar 2020. De vergelijkingsobjecten zijn daarom een goed uitgangspunt voor het bepalen van de WOZ-waarde en dat geldt ook voor [adres 5] met bouwjaar 2019.
6. Het is aan verweerder om duidelijk te maken hoe er rekening is gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten en dan valt op dat de m²-prijs van € 5.327,- van [adres 5] ruim 40% hoger is dan de gecorrigeerde gemiddelde m²-prijs van de andere vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de hogere m²-prijs van dit object niet te maken heeft met het feit dat [adres 5] een penthouse betreft, maar er is geen verklaring gegeven voor deze fors hogere prijs. Het object [adres 2] is wat betreft oppervlakte en bouwjaar bijna gelijk aan de [adres 5] , terwijl de m²-prijs hiervan bijna € 1.500,- lager is. Verweerder heeft dit niet kunnen verklaren. Dit betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde waarde niet te hoog is.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, behoeft wat eiser voor het overige in beroep nog heeft aangevoerd over de door verweerder vastgestelde waarde geen behandeling meer.
8. Nu verweerder niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem voorgestane waarde van € 508.000,- aannemelijk heeft gemaakt.
9. De rechtbank acht eveneens de door eiser voorgestane waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk geworden bij gebrek aan onderbouwing. Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd de waarde aannemelijk te maken, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie vast op € 570.000,-.
10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 837,-, en een wegingsfactor 1).