De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden en op 3 oktober 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 365 dagen. Na diverse beslissingen tot schorsing en gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft het openbaar ministerie op 4 augustus 2023 een vordering ingediend om deze geheel achterwege te laten.
De rechtbank heeft op 23 augustus 2023 de zaak behandeld waarbij het VI-advies en het rapport van de reclassering centraal stonden. De reclassering adviseerde twee opties: een plan met 24-uursbegeleiding en huisvesting in Eindhoven, en een alternatief met maatschappelijke opvang in Den Haag. Vanwege gebrek aan medewerking van de gemeente Eindhoven is de uitvoerbaarheid van het eerste plan onzeker, terwijl het tweede plan minder ideaal maar uitvoerbaar is.
De rechtbank overweegt dat het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling leidt tot kale detentie zonder voorwaarden en toezicht, wat het recidivegevaar vergroot. Gezien het belang van begeleiding en toezicht wijst de rechtbank de vordering af en bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling met passende voorwaarden moet worden voortgezet. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.