De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om een machtiging te verkrijgen voor gesloten jeugdhulp voor een jeugdige, hierna [kind01], voor de duur van drie maanden aansluitend op een eerder verleende spoedmachtiging. De jeugdige verblijft reeds in een gesloten accommodatie en is onder toezicht gesteld tot juni 2024.
De gecertificeerde instelling en de moeder van [kind01] pleiten voor verlenging van de gesloten jeugdhulp, onder meer vanwege gedragsproblemen en het ontbreken van adequate behandeling. De jeugdige zelf verzet zich tegen de verlenging en geeft aan niet opnieuw gesloten te willen worden geplaatst, mede omdat hij de intensiteit van de behandeling niet aankan en bereid is therapie te volgen op beperkte dagen.
De kinderrechter toetst het verzoek aan artikel 6.1.2 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat een machtiging gesloten jeugdhulp slechts kan worden verleend indien ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen dit rechtvaardigen en de jeugdige niet aan de hulp kan of mag worden onttrokken. Cruciaal is dat de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper is vereist die de jeugdige kort tevoren heeft onderzocht.
In deze zaak ontbreekt een dergelijke instemming voor de gevraagde periode van drie maanden. De gedragswetenschapper heeft de jeugdige niet kunnen spreken omdat hij vermist was en heeft slechts ingestemd met een kortere periode tot de zitting. De kinderrechter concludeert dat zonder deze instemming niet aan de wettelijke vereisten is voldaan en wijst het verzoek af. De beslissing is mondeling gegeven op 12 september 2023 en schriftelijk vastgelegd op 26 september 2023.