Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw M. Pauli, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. Hij heeft financiële problemen door een slecht functionerende beschermingsbewindvoerder en ontvangt een WW-uitkering en toeslagen die voldoende zijn om de lopende huur te betalen. Verweerster, Stichting Woonstad Rotterdam, stelt dat de huurachterstand is opgelopen tot €12.771,35 en dat eerdere betalingsregelingen niet zijn nagekomen.
De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten, tegen het belang van verweerster om het vonnis tot ontruiming uit te voeren. Gezien de inkomsten en de inzet van een budgetbeheerder acht de rechtbank het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden.
De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huur over september 2023 vóór 10 september wordt voldaan en dat de lopende termijnen vanaf oktober tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De rechtbank bepaalt dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt over de buitengerechtelijke schuldregeling. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: Voorlopige voorziening tot opschorting ontruiming voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling.