ECLI:NL:RBROT:2023:9375
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens onvoldoende gemotiveerd draagkrachtverweer en geen overschrijding redelijke termijn
Betrokkene werd bij tussenbeslissing van 25 april 2023 in de gelegenheid gesteld zekerheid te stellen voor een bedrag van €52,00. Uit informatie van het CJIB blijkt dat deze zekerheid is gesteld. De zaak werd behandeld op 25 augustus 2023, waarbij een vertegenwoordiger van de CVOM en de gemachtigde van betrokkene aanwezig waren.
Ter zitting werd het proces-verbaal van 22 augustus 2023 overgelegd. De gemachtigde van betrokkene handhaafde niet langer het primaire verweer, maar verzocht om matiging van het sanctiebedrag met 25% wegens vermeende overschrijding van de redelijke termijn. De gedraging werd niet betwist en stond vast.
De kantonrechter oordeelt dat betrokkene op 11 april 2023 geen stukken heeft overgelegd die zijn financiële draagkracht aantonen, ondanks de mogelijkheid daartoe. Het draagkrachtverweer is kennelijk nodeloos opgeworpen, waardoor de zitting van 11 april onnodig was. Hierdoor valt de overschrijding van de redelijke termijn toe te rekenen aan betrokkene. Bovendien zou zelfs bij inachtneming van de termijn na 25 augustus 2023 geen overschrijding zijn geweest.
Er zijn geen andere feiten die matiging rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.