De rechtbank Rotterdam sprak de verdachte vrij van ontucht met zijn minderjarige dochter vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer werd weliswaar als betrouwbaar beschouwd, maar vond geen steun in ander zelfstandig bewijsmateriaal, zoals vereist volgens artikel 342, tweede lid Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie had gepleit voor bewezenverklaring en een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De verdediging betoogde dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs, waardoor vrijspraak op zijn plaats was.
De rechtbank oordeelde dat de overige verklaringen in het dossier direct of indirect dezelfde bron hadden en derhalve geen steunbewijs vormden. Gedragsveranderingen en medische klachten van het slachtoffer konden niet als steunbewijs dienen. De ontkennende verklaring van de verdachte en zijn zwijgen bij politie en zitting versterkten het ontbreken van wettig bewijs.
Daarom werd het tenlastegelegde niet bewezen verklaard en werd de verdachte vrijgesproken. De vorderingen tot schadevergoeding van het slachtoffer en haar moeder werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid. De benadeelde partijen werden veroordeeld in de kosten van de verdediging, welke nihil werden begroot.