De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van een gecertificeerde instelling (GI) om het omgangsrecht tussen een twaalfjarige jongen en zijn vader op te schorten wegens belastende uitspraken van de vader tijdens contactmomenten.
De minderjarige gaf aan dat hij het contact met zijn vader belastend vindt, maar ook niet wil dat het contact volledig stopt vanwege het belang van de vader en diens familie in zijn leven. De GI stelde dat het contact schadelijk is voor het kind en vroeg om opschorting van het begeleide contact.
De rechtbank constateerde dat de vader tijdens de omgang regelmatig negatieve opmerkingen maakt die het kind emotioneel belasten, waardoor het kind een ouderrol op zich neemt. Toch oordeelde de rechtbank dat volledig contactverbod mogelijk nog schadelijker is voor de ontwikkeling van het kind dan een beperkte omgangsregeling.
Daarom werd een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind één keer per drie weken op zondagmiddag onbegeleid contact heeft met zijn vader, waarbij het kind zelf heen en terug fietst. De zaak wordt voor zes maanden aangehouden om te beoordelen of deze regeling in het belang van het kind blijft. De rechtbank benadrukte het belang van verwachtingsmanagement en het beperken van belastende gesprekken tijdens het contact.