Art. 138aa SrArt. 47 lid 1 SrArt. 67a lid 2 SvArt. 67a lid 3 SvArt. 67 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing hoger beroep officier van justitie tegen afwijzing vordering inbewaringstelling verdachte wegens recidive op haventerrein
De officier van justitie had bij de rechter-commissaris een vordering tot inbewaringstelling van verdachte ingediend wegens het betreden van een haventerrein, strafbaar gesteld in art. 138aa Sr. Deze vordering werd op 13 januari 2023 afgewezen. De officier van justitie ging hiertegen in hoger beroep bij de rechtbank Rotterdam.
De rechtbank heeft de stukken bestudeerd en partijen gehoord, waarbij verdachte niet aanwezig was. De rechtbank constateert ernstige bezwaren tegen verdachte op grond van art. 138aa Sr en aanverwante bepalingen. De strafrechtelijke aanpak van het illegaal betreden van haventerreinen is verscherpt vanwege de ondermijnende criminaliteit en de mogelijke gevaren voor de veiligheid.
Verdachte is geen first offender, omdat hij reeds in juli 2022 onder soortgelijke omstandigheden op een haventerrein is aangetroffen. Daarom is de recidivegrond voor voorlopige hechtenis van toepassing. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot inbewaringstelling terecht is en wijst het verzoek tot schorsing af.
De rechtbank vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris en beveelt de inbewaringstelling van verdachte voor veertien dagen. De belangen van verdachte wegen niet op tegen het strafvorderlijk belang van voortduring van de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: De rechtbank wijst het hoger beroep toe en beveelt de inbewaringstelling van verdachte voor veertien dagen wegens recidive op haventerrein.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM-2-
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 10-011980-23
beslissing op hoger beroep tegen beschikking van de rechter-commissaris van de raadkamer d.d. 31 januari 2023
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren op [geboortedatum01] 2002 te [geboorteplaats01] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] .
Raadsman mr. F. van Schaik.
Procedure
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte afgewezen. De officier van justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover daarbij de vordering is afgewezen.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie en de raadsman, mr. Van Schaik gehoord. De verdachte is niet in raadkamer verschenen.
Beoordeling
Gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de verdachte de verdenking is gerezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten feiten als omschreven in navolgende wetsartikelen:
art. 138aa lid 1, 138aa lid 3 ahf/ond b, art. 47 lid 1 ahfPro/sub 1 Sr.
De ernstige bezwaren
Uit de inhoud van het strafdossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ten aanzien van het feit zoals vermeld in de vordering tot inbewaringstelling.
Motivering:
De strafbaarstelling van art. 138aa Sr. is door de wetgever ingevoerd in het kader van het streven van de overheid om -in bredere zin- de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit (duidelijk) te versterken. De problematiek rond de uithalers is in dit breder kader meegenomen en is vertaald in een duidelijk verscherpte strafrechtelijke aanpak van het illegaal betreden van o.a. haventerreinen. Vertrekpunt was de strafbaarstelling van dit gedrag als een verzwaarde vorm van erfvredebreuk op bepaalde plaatsen; plaatsen waar dat door de wetgever als extra ongewenst en gevaarzettend is geoordeeld.
Het strafmaximum is flink omhoog gegaan ten opzicht van, bij voorbeeld, de overtreding van art. 461 SrPro., het zich begeven op verboden terrein. In plaats van een geldboete, die in de praktijk veelal neerkwam op een geldboete van € 95,- is de maximale straf van het misdrijf art. 138aa Sr. maximaal één jaar gevangenisstraf voor het enkele aanwezig zijn op een van de in de wet omschreven (bedrijfs)terreinen/vervoersknooppunten. De maximale gevangenisstraf bedraagt twee jaar gevangenisstraf indien bepaalde strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn. De wet kent een verdere strafverzwaring met een derde onder in de wet nader aangegeven verdere omstandigheden. Bij dit alles heeft de wetgever de nieuwe strafbepaling opgenomen in art. 67 SvPro., zodat voorlopige hechtenis toegepast kan worden. Ook dit beschouwt de rechtbank als een aanwijzing dat de wetgever een duidelijk verscherpte wijze van afdoening van deze vorm van criminalkiteit voorstaat.
Dit kader maakt dat verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan ter zake art. 138aa Sr anders en (veel) strenger kunnen worden aangepakt dan voorafgaand aan de invoering van deze nieuwe wetsbepaling.
Het gerechtshiof heeft in een aantal samenhangende arresten aangegeven dat bij first offenders, in beginsel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf uitgangspunten van straftoemeting zijn. En dat bij (vormen van) recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt zal (moeten) zijn. Voorshands is dit voor de Rotterdamse rechtbank daarmee (ook) het uitgangspunt.
Verdachte is ecter geen first offender , aangezien vast staat dat hij eerder, in juli 2022, onder min of meer identieke omstandigheden is aangetroffen op een haventerrein.
Gelet op het bovenstaande is art. 67a lid 3 Sv op dit moment nog niet aan de orde
De gronden waarop de voorlopige hechtenis wordt bevolen
De recidivegrond.
Conclusie
Anders dan de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte moet worden toegewezen. De dragende grond is recidivegevaar als omschreven in art. 67a lid 2 onder 2 Sv., meer in het bijzonder dat het gaat om misdrijven waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de beperkt onderbouwde persoonlijke belangen van de verdachte afgewogen tegen het strafvorderlijk belang dat met voortduring van de voorlopige hechtenis is gediend. Deze afweging valt uit in het nadeel van de verdachte.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep;
wijst alsnog toe de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte;
verleent alsnog een bevel tot bewaring tegen de verdachte voor een termijn van veertien dagen;
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 31 januari 2023 door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mrs. H.J. de Kraker en M.A. de Vries-de Beij, rechters,