ECLI:NL:RBROT:2023:943
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €317.037,83. Deze vordering is behandeld tijdens zittingen op 15 april 2021 en 19 januari 2023. De ontnemingsrapportage was gebaseerd op een kasopstelling volgens artikel 36e lid 3 Sv, wat vereist dat de veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
De veroordeelde was in eerste aanleg vrijgesproken, maar door het gerechtshof veroordeeld voor de overtredingsvariant van invoer van cocaïne. Het Openbaar Ministerie stelde dat hierdoor niet aan de voorwaarden van artikel 36e lid 3 Sv was voldaan. Verder onderzoek naar een alternatieve rapportage op basis van artikel 36e lid 2 Sv leverde geen aannemelijk bewijs op dat de veroordeelde voordeel had genoten, mede omdat de cocaïne in beslag was genomen.
De verdediging betoogde dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel had verkregen en dat dit moest worden vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat niet aannemelijk was geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had genoten en wees de vordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.