Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan 25 schuldeisers, waaronder een preferente en 24 concurrente, met een betaling van 2,24% respectievelijk 1,12% tegen finale kwijting. Een buitenlandse schuldeiser gevestigd op Curaçao weigerde in te stemmen en voerde aan dat zij niet gebonden zou zijn aan de Nederlandse Faillissementswet en dat verzoeker niet het maximaal haalbare had aangeboden.
De rechtbank oordeelde dat de buitenlandse schuldeiser wel gebonden is aan Nederlands recht, gelet op de Verordening (EG) 864/2007 (Rome II), en dat de belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers die instemden met het akkoord zwaarder wegen dan die van de weigerende schuldeisers. De regeling is gebaseerd op een prognose van afloscapaciteit en is getoetst door een onafhankelijke partij.
De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat de minnelijke regeling een gunstiger resultaat voor schuldeisers oplevert. De weigerende schuldeisers werden veroordeeld tot instemming met het akkoord en in de proceskosten. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.