De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 oktober 2023 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €188.631,- tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk, faillissementsfraude en witwassen. De procedure volgde op een schriftelijke conclusiewisseling en een zitting op 25 september 2023.
De verdediging voerde onder meer aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege onrechtmatige voorlopige hechtenis van de veroordeelde, en dat het gevorderde bedrag niet aan hem kon worden toegerekend omdat hij na augustus 2012 geen zeggenschap meer had over het bedrijf. De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat de veroordeelde tot medio 2016 feitelijk leiding gaf en het voordeel uit de faillissementsboedel aan hem toerekenbaar is.
De rechtbank mat het gevorderde bedrag met €6.000 wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis en overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het vastgestelde bedrag €182.631 bedraagt. Tevens werd de duur van de gijzeling vastgesteld op 466 dagen, gebaseerd op de wettelijke maxima en de berekeningsmethode voor de gijzelingstermijn.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. De rechtbank legde de betalingsverplichting en gijzeling op en verklaarde de officier van justitie ontvankelijk.