De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011, die momenteel verblijft in een gezinshuis. De ouders hebben het ouderlijk gezag, maar de vader is niet in staat een veilige opvoedsituatie te bieden vanwege problemen met middelengebruik en onduidelijkheid over zijn verblijfplaats. De moeder woont in Spanje en is daardoor beperkt in haar rol.
De kinderrechter heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren voortgezet waarbij de moeder digitaal aanwezig was, de vader niet. De minderjarige is telefonisch gehoord en gaf aan het gezinshuis prettig te vinden en geen contact te willen met haar vader. De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot verlenging en benadrukt het belang van stabiliteit en het uitblijven van verhuizingen om de minderjarige rust te bieden.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, conform artikel 1:265c lid 2 BW. De minderjarige kan in het gezinshuis blijven tot minimaal 16 december 2023, met uitzicht op een langere periode. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De minderjarige zal in de tussentijd speltherapie volgen en mogelijk later traumabehandeling starten.
Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te Den Haag, via een advocaat. De beslissing is op 26 september 2023 mondeling gegeven en op 12 oktober 2023 schriftelijk vastgesteld.