Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam01] en mevrouw [naam02] , beiden werkzaam bij Plangroep (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer Z.A. Rahimi, werkzaam bij Obin (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. De gemeente Rotterdam weigert medewerking vanwege boetevorderingen die niet kwijtgescholden mogen worden volgens de Participatiewet.
De schuldregeling voorziet in een betaling van 24,26% aan preferente en 12,13% aan concurrente schuldeisers. Acht schuldeisers stemmen in, maar de gemeente Rotterdam, met een vordering van 78,14% van de totale schuldenlast, weigert.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente Rotterdam in redelijkheid tot weigering kon komen, mede omdat de vordering deels preferent is en niet juist is gesplitst in het akkoord. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk dat verzoekster haar afloscapaciteit maximaal heeft benut, omdat zij geen sollicitaties voor meer uren heeft aangetoond.
Daarom wegen de belangen van de gemeente Rotterdam zwaarder dan die van verzoekster en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt later.
Uitkomst: Het verzoek om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt afgewezen.