Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- Mevrouw [naam01] en mevrouw [naam02] , beiden werkzaam bij Plangroep (hierna te noemen: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, Kiddoozz Rotterdam B.V., te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorzag in een betaling van 5% aan vijftien concurrente schuldeisers, gebaseerd op haar Participatiewet-uitkering en een ontheffing van de sollicitatieplicht vanwege de zorg voor een jong kind.
Veertien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar Kiddoozz weigerde omdat zij volledige betaling van haar vordering verlangde. De rechtbank onderzocht of deze weigering redelijk was, waarbij zij de belangen van Kiddoozz afwoog tegen die van verzoekster en de overige schuldeisers.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster het uiterste had gedaan om haar afloscapaciteit te vergroten. Hoewel zij een ontheffing van de sollicitatieplicht heeft tot juli 2025, zijn er volgens de rechtbank voldoende voorzieningen zoals kinderopvang die haar in staat stellen om nu al te werken. De rechtbank achtte de belangen van Kiddoozz zwaarder dan die van verzoekster en wees het verzoek af.
Een afzonderlijke beslissing over de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal nog volgen.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het maximaal haalbare heeft gedaan.