De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 2003 gelegen in de buurt Nesselande. De oorspronkelijke waarde was vastgesteld op €596.000 voor het belastingjaar 2022. Na bezwaar bleef de gemeente bij deze waarde, maar in het beroepsproces verlaagde zij de waarde eerst naar €565.000 en ter zitting verder naar €506.000, hetgeen overeenkwam met het door eiser voorgestane bedrag.
De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond was nu partijen overeenstemming bereikten over de waarde. Hierdoor was verdere behandeling van andere beroepsgronden niet nodig. De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op €2.266,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €50,-.
De uitspraak werd gedaan door rechter N. Boonstra en griffier S.J. Veth op 25 september 2023. Partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag binnen zes weken na verzending van de uitspraak.