In deze zaak staat de uitvoering van een aannemingsovereenkomst voor tuinrenovatie centraal. Eisers en gedaagde zijn overeengekomen dat gedaagde de tuin zou aanleggen, inclusief een hardhouten beschoeiing, tegelbestrating en het planten van Portugese laurieren. Na aanvang van de werkzaamheden ontstond een geschil over meerwerk, regieafspraken en de kwaliteit van de beschoeiing.
Eisers stelden dat de beschoeiing gebrekkig was en dat hierdoor schade was ontstaan aan het prieel en de aanbouw. Gedaagde betwistte dit en verwees naar een deskundigenrapport dat geen causaal verband zag tussen de beschoeiing en de schade. De rechtbank oordeelde dat de beschoeiing weliswaar vervormd was en rechtgesteld moest worden, maar dat de schade aan prieel en aanbouw onvoldoende was bewezen als gevolg van de beschoeiing. De kosten voor het rechtstellen van de beschoeiing werden begroot op € 2.000.
Verder werd vastgesteld dat er geen regieafspraken waren gemaakt voor het meerwerk; de vaste prijsafspraak bleef gelden. Eisers hadden een redelijke vergoeding van € 4.500 betaald voor meerwerk, wat de rechtbank voldoende achtte. Niet alle laurieren waren conform overeenkomst geleverd, maar gedaagde had dit gecrediteerd op de factuur, zodat een schadevergoeding van € 3.010 werd toegewezen. De totale schadevergoeding aan eisers bedraagt € 5.010 plus wettelijke rente. De vorderingen van gedaagde tot betaling van openstaande facturen werden afgewezen. Proceskosten werden verdeeld: iedere partij draagt eigen kosten in conventie, gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten in reconventie.