ECLI:NL:RBROT:2023:9769
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak
De verzoeker was van 9 tot 14 september 2021 in verzekering gesteld en daarna in voorlopige hechtenis op verdenking van medeplegen voorbereidingshandelingen op grond van de Opiumwet. Op 2 december 2022 werd hij vrijgesproken en deze vrijspraak werd onherroepelijk op 17 december 2022.
De verzoeker vroeg vergoeding voor immateriële schade door het voorarrest en voor kosten rechtsbijstand. De rechtbank overwoog dat er tijdens het voorarrest voldoende verdenking bestond om de dwangmiddelen te rechtvaardigen. De verdachte was onder verdachte omstandigheden aangetroffen op een verboden terrein met aanwijzingen die verband hielden met drugscriminaliteit, maar onvoldoende concrete feiten voor een veroordeling.
De rechtbank vond dat de vrijspraak niet automatisch tot vergoeding leidt als dit niet billijk is. Vanwege de verdachte omstandigheden, het ontbreken van een afdoende verklaring van de verzoeker en het noodzakelijke onderzoek door het OM, was het niet billijk om vergoeding toe te kennen. Ook het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand werd afgewezen omdat de motivering van de vrijspraak duidelijk maakte dat toewijzing niet billijk zou zijn.
De rechtbank wees beide verzoeken af bij beschikking van 30 augustus 2023.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van billijkheid.