ECLI:NL:RBROT:2023:9771
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen voorbereidingshandelingen
De verzoeker was van september tot december 2021 in voorlopige hechtenis op verdenking van medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Bij vonnis van 2 december 2022 is hij vrijgesproken wegens onvoldoende concrete aanknopingspunten die hem met de ten laste gelegde feiten konden verbinden. Dit vonnis werd op 17 december 2022 onherroepelijk.
De verzoeker diende vervolgens verzoeken in op grond van artikel 533 Sv Pro en 530 Sv tot vergoeding van immateriële schade door het voorarrest en kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat ondanks de vrijspraak de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd was vanwege de verdachte omstandigheden waaronder de verzoeker werd aangetroffen, waaronder aanwezigheid op verboden terrein en de vondst van verdachte goederen.
De rechtbank overwoog dat de verzoeker geen verklaring gaf over zijn aanwezigheid en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek verrichtte dat tijd kostte. Het feit dat dit onderzoek geen belastend bewijs opleverde, maakt niet dat het voorarrest onbillijk was. Ook voor de kosten van rechtsbijstand werden geen gronden van billijkheid geacht aanwezig.
Daarom werden beide verzoeken tot vergoeding afgewezen.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.