ECLI:NL:RBROT:2023:9773
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak
De verzoeker was van 9 tot 15 september 2021 in verzekering gesteld en daarna in voorlopige hechtenis tot 3 december 2021 op verdenking van medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de Opiumwet. Bij vonnis van 2 december 2022 werd hij vrijgesproken en dit vonnis werd op 17 december 2022 onherroepelijk.
De verzoeker vroeg vergoeding van immateriële schade als gevolg van het voorarrest en vergoeding van kosten rechtsbijstand. De rechtbank overwoog dat hoewel de zaak eindigde zonder strafoplegging, ten tijde van de hechtenis voldoende verdenking bestond om de dwangmiddelen te rechtvaardigen. De verdachte was onder verdachte omstandigheden aangetroffen op een haventerrein met aanwijzingen die duidden op betrokkenheid bij drugshandel, maar er ontbraken concrete aanknopingspunten voor het ten laste gelegde.
De rechtbank vond geen gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen, mede omdat de verzoeker geen verklaring gaf en het onderzoek van het Openbaar Ministerie tijd kostte. Ook voor de kosten rechtsbijstand werd geen vergoeding toegekend omdat uit de motivering van de vrijspraak bleek dat toewijzing niet billijk zou zijn.
De verzoeken op grond van artikel 533 en Pro 530 Sv werden daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.