ECLI:NL:RBROT:2023:9773

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 augustus 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
10/242851-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 461 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak

De verzoeker was van 9 tot 15 september 2021 in verzekering gesteld en daarna in voorlopige hechtenis tot 3 december 2021 op verdenking van medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de Opiumwet. Bij vonnis van 2 december 2022 werd hij vrijgesproken en dit vonnis werd op 17 december 2022 onherroepelijk.

De verzoeker vroeg vergoeding van immateriële schade als gevolg van het voorarrest en vergoeding van kosten rechtsbijstand. De rechtbank overwoog dat hoewel de zaak eindigde zonder strafoplegging, ten tijde van de hechtenis voldoende verdenking bestond om de dwangmiddelen te rechtvaardigen. De verdachte was onder verdachte omstandigheden aangetroffen op een haventerrein met aanwijzingen die duidden op betrokkenheid bij drugshandel, maar er ontbraken concrete aanknopingspunten voor het ten laste gelegde.

De rechtbank vond geen gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen, mede omdat de verzoeker geen verklaring gaf en het onderzoek van het Openbaar Ministerie tijd kostte. Ook voor de kosten rechtsbijstand werd geen vergoeding toegekend omdat uit de motivering van de vrijspraak bleek dat toewijzing niet billijk zou zijn.

De verzoeken op grond van artikel 533 en Pro 530 Sv werden daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/242851-21
Raadkamernummers: 23/001198 (533 Sv) en 23/001200 (530 Sv)
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker01] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum01] te [geboorteplaats01] ,
te dezer zake domicilie kiezende te [adres01]
ten kantore van advocaat mr. T. Arkesteijn.

Procedure

De verzoeken zijn op 12 januari 2023 ingediend.
De verzoeken zijn op 30 augustus 2023door de raadkamer in het openbaar behandeld.
De officier van justitie mr. M. Luijpen en de gemachtigd advocaat mr.T. Arkesteijn zijn gehoord. De verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie

Verzoek artikel 533 Sv Pro
Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 8.680,- als vergoeding voor de immateriële schade als gevolg van het voorarrest.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Verzoek artikel 530 Sv Pro
Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor de kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 680,=
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de raadkamer.

Feiten

De verzoeker is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer van 9 september tot en met 15 september 2021 in verzekering gesteld geweest op verdenking van medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Aansluitend heeft hij tot op 3 december 2021 in voorlopige hechtenis verbleven.
Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 2 december 2022, is de verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak ten laste was gelegd. Dit vonnis is op
17 december 2022 onherroepelijk geworden.

Beoordeling

Verzoek artikel 533 Sv Pro
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 533 Sv Pro op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding vindt ingevolge artikel 534 Sv Pro plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Gebleken is dat ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen de verzoeker bestond om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden geen gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
De verzoeker is bij vonnis van 2 december 2022 vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De vrijspraak is een omstandigheid die (in beginsel) aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van het voorarrest, tenzij dit niet billijk is gelet op de omstandigheden van het geval. Tegen deze achtergrond is van belang dat de rechtbank in het vonnis het volgende heeft overwogen:
De verdachte is samen met zijn medeverdachten op 9 september 2021 aangetroffen op de
terminal van [bedrijf01]. De in totaal vijftien verdachten zaten
in een container in module/stack 25 of 26. In die container zijn naast de verdachten onder
andere een tas, 30 mobiele telefoons en powerbanks aangetroffen. De mobiele telefoons
waren beschadigd doordat er overheen was geürineerd. In de tas zaten doorgeknipte
containerzegels. In de omgeving van stack 9 en 10 is op een later moment een pakket
aangetroffen, volgens een indicatieve test met cocaïne.
De omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen, zijn zeer verdacht.
Aanwezigheid van de verdachte ter plaatse is in strijd met artikel 461 Wetboek Pro van
Strafrecht en zou inmiddels ook op grond van artikel 138aa Wetboek van Strafrecht
strafbaar kunnen zijn. Er zijn echter onvoldoende concrete aanknopingspunten in het
onderhavige dossier op grond waarvan de verdachte in verband kan worden gebracht met
het opzettelijk treffen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van
verdovende middelen, in het bijzonder cocaïne, zoals ten laste is gelegd. Er is geen
voldoende concrete link met een specifieke container op de terminal, een te verwachten
container en/of andere concrete feiten en omstandigheden die in verband kunnen worden
gebracht met verdovende middelen, laat staan specifiek met cocaïne. Mede gelet op de stand
van de huidige jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte daarom dient te
worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De verzoeker is, gelet op het voorgaande, onder zeer verdachte omstandigheden aangetroffen op het haventerrein waar hij niet mocht zijn. Van algemene bekendheid is dat de aangetroffen spullen passen bij het uithalen van hard drugs uit containers. Hierbij wordt ook betrokken dat door de rechtbank in het strafvonnis is overwogen dat de aanwezigheid van de verzoeker ter plaatse in strijd is met artikel 461 van Pro het Wetboek van Strafrecht, namelijk zich onbevoegd op een verboden terrein bevinden.
Al deze belastende omstandigheden vroegen om een uitleg van de verzoeker over zijn aanwezigheid daar, de andere aanwezigen en over de aangetroffen spullen. De verzoeker heeft over deze omstandigheden geen verklaring gegeven, met (in zoverre) een beroep op het zwijgrecht.
Tijdens het voorarrest heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht. Het is goed voorstelbaar dat het verrichten van dat onderzoek enige tijd heeft gekost. Dat het onderzoek uiteindelijk geen verdere belastende informatie (ter voeging aan het strafdossier) heeft opgeleverd, leidt niet tot de conclusie dat (het afwegen van) nader onderzoek niet nodig of wenselijk is geweest en dat de verzoeker eerder in vrijheid gesteld had moeten worden.
Onder de geschetste omstandigheden was het voorts niet op voorhand evident dat een vrijspraak zou volgen.
De voorlopige hechtenis, en het voortduren daarvan, was in deze omstandigheden toe te rekenen aan de verzoeker. Het is daarom – ondanks de vrijspraak – niet billijk daarvoor een vergoeding toe te kennen.
Hieruit volgt dat het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 533 Sv Pro dient te worden afgewezen.
Verzoek artikel 530 Sv Pro
Vooropgesteld wordt dat een gewezen verdachte indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - op grond van artikel 530 juncto Pro artikel 534 Sv Pro in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank acht evenwel geen gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, omdat uit de motivering van de vrijspraak met voldoende evidentie volgde dat toewijzing van een vergoeding niet billijk zou worden gevonden door de rechtbank. Hieruit volgt dat ook dit verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
t.a.v. het onder RK-nummer 23/001198 ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af.
t.a.v. het onder RK-nummer 23/001200ingeschreven verzoek:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,
mrs. G.P. van de Beek en H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. van Wingerden, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2023.