ECLI:NL:RBROT:2023:9774
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak
De verzoeker was van 9 tot en met 14 september 2021 in verzekering gesteld en vervolgens in voorlopige hechtenis tot 3 december 2021 op verdenking van medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet. Bij vonnis van 2 december 2022 werd hij vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, en dit vonnis werd op 17 december 2022 onherroepelijk.
De verzoeker diende op 6 december 2022 verzoeken in op grond van artikel 533 en Pro 530 Sv voor vergoeding van immateriële schade door het voorarrest en de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat hoewel de zaak zonder strafoplegging eindigde, er voldoende verdenking bestond ten tijde van de hechtenis, en dat de omstandigheden waaronder de verzoeker werd aangetroffen zeer verdacht waren.
De rechtbank overwoog dat de verzoeker zich onder verdachte omstandigheden op een verboden terrein bevond, dat hij geen verklaring gaf en dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie tijd kostte. Het was niet evident dat vrijspraak zou volgen, waardoor het niet billijk werd geacht een vergoeding toe te kennen. Ook het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand werd afgewezen omdat uit de motivering van de vrijspraak bleek dat toewijzing niet billijk zou zijn.
De verzoeken werden derhalve afgewezen door de rechtbank Rotterdam op 30 augustus 2023.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van billijkheidsgronden.