ECLI:NL:RBROT:2023:9775
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand na vrijspraak
De verzoeker was van september tot december 2021 in voorlopige hechtenis op verdenking van medeplegen voorbereidingshandelingen op grond van de Opiumwet. Bij vonnis van 2 december 2022 werd hij vrijgesproken, en dit vonnis werd onherroepelijk op 17 december 2022.
De verzoeker diende op 11 januari 2023 verzoeken in tot vergoeding van immateriële schade door het voorarrest en van kosten rechtsbijstand. De rechtbank oordeelde dat hoewel de zaak zonder strafoplegging eindigde, er destijds voldoende verdenking bestond om de voorlopige hechtenis te rechtvaardigen. De verdachte was onder verdachte omstandigheden aangetroffen op een verboden terrein met aanwijzingen die verband hielden met drugshandel.
De rechtbank vond geen gronden van billijkheid voor vergoeding van immateriële schade, mede omdat de verzoeker geen verklaring gaf en het onderzoek tijd kostte. Ook het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstand werd afgewezen omdat de vrijspraak geen aanleiding gaf tot billijkheid voor vergoeding. Beide verzoeken werden derhalve afgewezen.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding voorarrest en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.