De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 oktober 2023 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige van zestien jaar. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 180 uur.
De rechtbank stelde vast dat het bewijs onvoldoende was om de tenlastelegging wettig en overtuigend te bewijzen. De verklaring van de aangever stond tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. De verklaringen van derden boden geen onafhankelijke steun, aangezien één getuige alleen had verklaard wat zij van de aangever had gehoord en een andere getuige geen directe waarnemingen had gedaan van de ontuchtige handelingen.
Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs kon de rechtbank niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen wat er was gebeurd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken onder leiding van voorzitter R.H. Kroon.