Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 juli 2023, met producties 1 tot en met 14,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2,
- de pleitnota van mr. Van Voskuilen.
Rechtbank Rotterdam
Eiser en gedaagde zijn broers die een geschil hadden over de omvang van de nalatenschappen van hun ouders en het erfdeel van eiser. Na overlijden van vader en moeder zijn er testamenten en aanslagen erfbelasting vastgesteld. Eiser ontving meer dan zijn legitieme portie en beide broers sloten in 2018 een vaststellingsovereenkomst waarin finale kwijting werd verleend na betaling van een bedrag van € 85.000 door gedaagde aan eiser.
Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde bankafschriften van moeder zou overleggen over de periode 2011 tot en met 1 mei 2016, omdat hij vermoedde dat de nalatenschap niet correct was afgewikkeld, onder meer vanwege een pand dat verkocht zou zijn voor een hogere prijs dan de taxatiewaarde. Gedaagde verweerde zich met het ontbreken van spoedeisend belang en stelde dat de vaststellingsovereenkomst nog steeds geldig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser geen spoedeisend belang had, omdat hij al meer had ontvangen dan zijn legitieme portie en de vaststellingsovereenkomst finale kwijting gaf. Ook was het praktisch onmogelijk om de gevorderde stukken te verkrijgen omdat de bank deze niet meer kon verstrekken vanwege bewaartermijnen. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van bankafschriften wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.