De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen en ontucht met een slapende vrouw. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het primair ten laste gelegde feit van seksueel binnendringen wettig en overtuigend vast te stellen. De verklaringen van de benadeelde en een getuige waren niet toereikend om vast te stellen dat daadwerkelijk binnendringen had plaatsgevonden. Ook de vermeende ontuchtige handelingen konden niet worden bewezen.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken en geen straf of maatregel opgelegd kreeg. De rechtbank nam daarom geen inhoudelijke beslissing op de schadevordering.
Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 14 februari 2023. De oudste rechter kon het vonnis niet medeondertekenen.