De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot machtiging tot uithuisplaatsing van een twaalfjarige minderjarige met een licht verstandelijke beperking. De minderjarige woont bij zijn moeder, die samen met hem onder toezicht staat tot juli 2025. De GI verzoekt een machtiging voor uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling vanwege zorgen over de thuissituatie en het uitblijven van verbetering ondanks intensieve hulpverlening.
De moeder verzet zich tegen het verzoek en vraagt primair afwijzing en subsidiair aanhouding om het persoonlijkheidsonderzoek mee te wegen. De MDFT-therapeut pleit voor voortzetting van hulpverlening in de thuissituatie en waarschuwt voor negatieve effecten van crisisplaatsing.
De kinderrechter constateert dat de GI nog geen passende plaats heeft gevonden en dat de moeder positieve stappen zet in de begeleiding. Gezien de kwetsbaarheid van de minderjarige en het ontbreken van een passende plek acht de rechter een crisisplaatsing niet in het belang van de minderjarige. Daarom wordt het verzoek aangehouden en een nieuwe zitting gepland, waarbij de GI een rapportage moet overleggen over de actuele stand van zaken en de noodzaak van het verzoek.