In deze zaak staat de hoofdverblijfplaats en het gezag over een minderjarige centraal, waarbij de ouders in conflict zijn over de verzorging en opvoeding. De minderjarige heeft een onrustige periode achter de rug met meerdere verhuizingen naar het buitenland en is sinds augustus 2023 bij haar vader in Nederland geplaatst.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het gezamenlijk gezag sinds april 2021 geldt, maar dat de ouders nog niet hebben kunnen aantonen dat zij gezamenlijk beslissingen kunnen nemen. Ondanks het conflict en wantrouwen tussen de ouders, acht de rechtbank het te vroeg om het gezag eenhoofdig toe te wijzen. Het belang van het kind staat voorop, waarbij stabiliteit en veiligheid essentieel zijn.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader toe om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen, omdat dit de minderjarige rust en structuur biedt. Het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag wordt afgewezen. De rechtbank benadrukt het belang van contact tussen de minderjarige en beide ouders en roept op tot het maken van een contactregeling met hulp van de jeugdbeschermer.
Tot slot is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dragen partijen ieder hun eigen proceskosten.