ECLI:NL:RBROT:2024:10309
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf en verlenging proeftijd wegens niet-naleving voorwaarden
De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 oktober 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden, opgelegd bij vonnis van 7 november 2022. De veroordeelde had zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden van de proeftijd, waaronder het melden bij GGZ Fivoor en het meewerken aan ambulante behandeling en begeleiding.
Uit het rapport van de reclassering van 2 oktober 2023 bleek dat de veroordeelde was teruggevallen in harddrugsgebruik, onvoldoende meewerkte aan begeleiding en onvoldoende contact had met de reclassering. Hierdoor kon effectief toezicht niet worden uitgevoerd en was er een verhoogde kans op recidive. De rechtbank constateerde dat dit verwijtbaar was en in principe reden tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.
Echter, gezien het rapport dateerde van meer dan een jaar geleden en er recent een nieuwe zaak bij de politierechter speelde met een verlenging van de proeftijd en een klinische opname als voorwaarde, achtte de rechtbank het op dit moment onvoldoende duidelijk hoe het met de veroordeelde gaat. Daarom wees de rechtbank de vordering af maar verlengde de proeftijd met één jaar om verdere rapportage mogelijk te maken.
De veroordeelde was niet aanwezig vanwege autopech en de reclasseringswerker verscheen zonder bericht van verhindering niet. De officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde waren wel gehoord. De raadsman onderschreef het subsidiaire standpunt tot verlenging van de proeftijd.
De rechtbank nam het besluit in aanwezigheid van drie rechters en griffier en sprak het vonnis uit op 4 oktober 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af en verlengt de proeftijd met één jaar.