Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om drie schuldeisers met vijf vorderingen te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. De totale schuldenlast bedroeg ruim €321.000, waarvan een deel betrof vorderingen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Verzoeker bood een schuldregeling aan waarbij concurrente schuldeisers 1,98% van hun vorderingen zouden ontvangen, gebaseerd op zijn parttime dienstverband en afloscapaciteit.
Vijf schuldeisers stemden in met het akkoord, maar RVO weigerde vanwege een betwisting van de rechtmatigheid van haar vorderingen. RVO stelde dat de subsidie waarop haar vordering gebaseerd is, is verstrekt op onjuiste gegevens en dat verzoeker verantwoordelijk is voor de aanvraag. De rechtbank moest beoordelen of RVO in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met het akkoord.
De rechtbank oordeelde dat RVO een aanzienlijk aandeel (17,4%) in de schuldenlast heeft en dat het belang van RVO bij weigering zwaarder weegt dan dat van verzoeker. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om meer te werken of een hogere aflossing te bieden, noch had hij medische stukken overlegd. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.