Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een gedwongen schuldregeling op te leggen waarbij een preferente en elf concurrente schuldeisers een deel van hun vordering zouden ontvangen. Hoewel elf schuldeisers instemden, weigerde één schuldeiser, [persoon A], met een vordering van €1.335,-- in te stemmen.
De rechtbank overwoog dat het iedere schuldeiser vrij staat volledige betaling te verlangen, maar dat de weigering in redelijkheid moet worden getoetst aan het uiterste wat verzoeker kan bieden. Uit loonstroken en aanvullende stukken bleek dat verzoeker niet fulltime werkte maar een parttime inkomen ontving, terwijl hij ter zitting stelde fulltime te werken. Er waren geen medische stukken die arbeidsongeschiktheid onderbouwden. Ook was niet duidelijk dat een hoger inkomen niet tot een hogere afloscapaciteit zou leiden. Daarnaast was er een gespaard bedrag dat niet in het akkoord was verwerkt.
De rechtbank concludeerde dat het voorstel niet het uiterste was wat verzoeker kon bieden en dat het belang van de weigeraar zwaarder woog dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling werd daarom afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt nog.