Partijen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met een voorlopige zorgregeling waarbij de man de kinderen om het weekend en elke woensdag bij zich zou hebben. De vrouw, die op woensdag werkt, klaagde dat de man de kinderen niet op tijd ophaalt en eiste nakoming van de zorgregeling met een dwangsom. Tevens vorderde zij dat de woning te koop wordt gezet omdat de man de hypotheeklasten niet betaalt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet vaststaat dat de man structureel de zorgregeling schendt, mede omdat de vrouw zelf regelmatig afwijkt van de regeling zonder overleg. Een kort geding is niet geschikt voor bewijslevering in deze situatie. De man werd geadviseerd eerder te vertrekken om op tijd te zijn.
De vordering tot verkoop van de woning werd eveneens afgewezen omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de bank executiemaatregelen zal treffen. De man heeft een betalingsregeling met de bank en de achterstand neemt af. De vrouw heeft belang bij verkoop, maar het is te vroeg om dit te gelasten zolang de gemeenschap nog verdeeld moet worden.
De proceskosten worden gecompenseerd; ieder draagt zijn eigen kosten. Het vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en uitgesproken op 22 oktober 2024.