Verzoeker diende een klacht in tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke om verplichte zorg te verlenen in de vorm van intramusculaire depotmedicatie. De zorgmachtiging was verleend en later aangevuld met aanvullende zorgvormen, waaronder het insluiten en beperking van communicatiemiddelen. Verzoeker stelde dat de gedwongen medicatie disproportioneel was en dat hij niet ontregeld was geweest, en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker ondanks orale medicatie meerdere keren psychotisch ontregeld was geraakt en opgenomen moest worden. De intramusculaire depotmedicatie bleek effectief en proportioneel, mede omdat het de stabiliteit van verzoeker verbeterde en minder belastend was dan frequente orale medicatie.
De klachtencommissie had de klacht al ongegrond verklaard, en de rechtbank bevestigde dit oordeel. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de klacht ongegrond was. De rechtbank concludeerde dat de zorgverantwoordelijke de wettelijke criteria had toegepast en dat de zorg passend was.
De beschikking werd uitgesproken door rechter S. Wierink en griffier S. McFedries op 15 oktober 2024. Tegen deze beschikking staat cassatie open.