De zaak betreft een kort geding tussen een commerciële verhuurder en een huurder van bedrijfsruimten te Rotterdam. De huurder heeft een huurachterstand van bijna zeven maanden opgebouwd en voldoet niet aan een betalingsregeling. De verhuurder vordert ontruiming van de bedrijfsruimten en betaling van de achterstallige huur en bijkomende kosten.
De huurder erkent de betalingsachterstand maar voert betalingsonmacht aan en stelt een tegenvordering wegens gebreken in de bedrijfsruimten. De kantonrechter oordeelt dat betalingsonmacht de verplichting tot betaling niet opheft en dat de tegenvordering onvoldoende is onderbouwd. De huurachterstand is substantieel en rechtvaardigt ontruiming.
De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe en veroordeelt de huurder tot betaling van een voorschot van €100.000,- en de lopende huurtermijnen. De vordering tot volledige betaling van de hoofdsom wordt slechts gedeeltelijk toegewezen vanwege onzekerheid over de omvang van de tegenvordering en posten als huurderving en ontbindingsschade. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de huurder wordt veroordeeld in proces- en beslagkosten.