Verzoeker heeft op 5 juni 2024 een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. Het aanbod voorzag in een betaling van circa 6% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op een prognose van de afloscapaciteit van verzoeker, die afhankelijk is van zijn WW-uitkering en sollicitatie-inspanningen.
Tien schuldeisers stemden in met het aanbod, maar twee schuldeisers, samen goed voor 55,1% van de schuldenlast, weigerden. Zij stelden dat het aanbod onvoldoende was onderbouwd, dat een volledige en controleerbare opgave van schulden en vaste lasten ontbrak, en dat niet was aangetoond dat verzoeker zich maximaal inspande om zijn inkomen te verhogen.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod niet goed en controleerbaar was gedocumenteerd en dat de schuldenlijst onvolledig was, mede doordat na het aanbod nieuwe schulden aan het licht kwamen. Gezien het grote aandeel van de weigeraars in de schuldenlast en de tekortkomingen in het aanbod, woog het belang van de weigeraars zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt nog.