Eiser diende een aanvraag in om twee geboorteaktes van zijn kinderen te registreren in de Basisregistratie Personen (BRP). Deze eerste aanvraag werd afgewezen omdat de geboorteaktes vals bleken te zijn na onderzoek door Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Eiser maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, die werd afgewezen. Vervolgens diende eiser een nieuwe aanvraag in met nieuwe geboorteaktes, die na onderzoek werden geaccepteerd en geregistreerd in de BRP.
De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het bestreden besluit. De registratie van de kinderen in de BRP is inmiddels gerealiseerd met de nieuwe aanvraag, waardoor het oorspronkelijke geschil feitelijk is opgelost. De rechtbank bespreekt de inhoudelijke gronden van het beroep niet.
Eiser stelde dat de procedure zou kunnen leiden tot een eerdere ingangsdatum van de registratie, wat mogelijk gunstig zou zijn in een vreemdelingenrechtelijke procedure. De rechtbank acht dit onvoldoende om het procesbelang te handhaven, mede omdat de valsheid van de eerste geboorteaktes niet inhoudelijk is bestreden. Het moment van registratie is afhankelijk van het voldoen aan wettelijke voorwaarden, die pas na het onderzoek van de tweede akten waren vervuld.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, waardoor eiser geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter A. Dingemanse en griffier R. Blokhuis op 25 oktober 2024.