De rechtbank Rotterdam heeft op 15 februari 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde die eerder was veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, namelijk de (verlengde) invoer van heroïne. De veroordeelde kreeg een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd.
De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, begroot op €15.000, dat de veroordeelde ontving voor het transport van een container met heroïne. De verdediging voerde aan dat het bedrag niet behouden was, dat het mogelijk om een huurrelatie ging, en dat gemaakte kosten in mindering moesten worden gebracht.
De rechtbank stelde vast dat het bedrag van €15.000 direct verband hield met het strafbare feit en dat er geen bewijs was dat het bedrag was teruggegeven. Kosten voor het huren van opleggers en brandstof werden erkend en geschat op €200, waardoor het netto wederrechtelijk verkregen voordeel €14.800 bedroeg.
De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de duur van de gijzeling tot maximaal 296 dagen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.