De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin ZBI Fondsmanagement GmbH een huurder aansprak wegens een huurachterstand van circa €1.758,41. De huurder was niet verschenen, waardoor verstek werd verleend. De rechter stelde vast dat de huurprijswijzigingsbepaling in de huurovereenkomst, die een jaarlijkse verhoging met de consumentenprijsindex plus maximaal 5% toestond, oneerlijk was en vernietigde deze.
De vernietiging van deze bepaling betekent dat de huurprijsverhogingen nietig zijn en de oorspronkelijke huurprijs blijft gelden. Dit leidde ertoe dat de toegewezen huurachterstand €25 lager was dan door ZBI berekend. Daarnaast werd de huurder veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de achterstand vanaf 1 juni 2024 en incassokosten van €319,15.
De proceskosten werden eveneens aan de huurder opgelegd, begroot op €814,71. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat ZBI direct tot executie kan overgaan. De kantonrechter wees het overige van de eis af wegens onvoldoende onderbouwing en onjuiste berekeningen.