Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
4.Waardering van het bewijs
dieaan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toebehoorde,
, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;
5.Strafbaarheid feiten
1.afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
2.medeplegen van gijzeling
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Vordering benadeelde partij
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
€ 2.500,= (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 512,= (zegge vijfhonderdtwaalf euro), aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen
€ 2.500,= (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.500,= niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
35 (vijfendertig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;