Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.Het geschil
subsidiairpartijen te veroordelen om:
3.De beoordeling
4.De beslissing
woensdag 14 mei 2025voor een conclusie/akte van [eiseres] als bedoeld onder 3.10.;
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft de afwikkeling van de nalatenschap van een moeder die in 2022 is overleden. De twee erfgenamen, haar kinderen, zijn er niet in geslaagd om gezamenlijk de nalatenschap af te wikkelen, ondanks dat zij het eens zijn over verkoop van de woning en verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft daarom een voorlopige voorziening getroffen door een van de erfgenamen, eiseres, te machtigen om namens beide erfgenamen de woning te verkopen en de inboedel te verdelen of te veilen.
De rechtbank overweegt dat het noodzakelijk is een doorbraak te forceren omdat de nalatenschap moet worden afgewikkeld. Professionele partijen zoals een makelaar, notaris en veilinghuis worden betrokken bij de uitvoering. De kosten hiervan komen ten laste van de nalatenschap. Daarnaast wordt de andere erfgenaam veroordeeld om zijn naam van de betaal- en spaarrekening van de overledene te laten verwijderen en mee te werken aan betaling van uitvaartkosten en erfbelasting.
De rechtbank wijst erop dat de machtiging niet betekent dat eiseres executeur is; het uitgangspunt blijft dat beide erfgenamen samen de nalatenschap afwikkelen. De zaak wordt aangehouden tot mei 2025 om te beoordelen of de afwikkeling voortgang heeft gekregen. De rechtbank dringt aan op ruime medewerking van beide partijen om een spoedige afwikkeling te bewerkstelligen.
Uitkomst: De rechtbank machtigt een erfgenaam om namens beiden de nalatenschap af te wikkelen en veroordeelt de andere erfgenaam tot medewerking, met aanhouding tot mei 2025.